Oproep tot waarachtige bekering

Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot de HEERE uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor de HEERE uw God. (Joel 2:12-14)

De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie. (Markus 1:15)

Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt de dood. (2 Korinthe 7:10)

De Heere Jezus Christus houdt ons allen een spiegel voor aan de hand van de gelijkenis van de farizeeŽr en de tollenaar (Lukas 17:9-14). De plicht tot zelfbeproeving wordt in de Schrift veelvuldig gedaan (Zefanja 2:1 en 2 Korinthe 13:5). Hoe is het met ons gesteld aangaande de waarachtige bekering?

Een godvruchtige prediker heeft eeuwen geleden hierover het volgende gesproken: "De Zaligmaker heeft al deze zaken kort bijeen getrokken in de persoon van de boetvaardige Tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: o God, wees mij zondaar genadig! Als wij aandachtig letten op dit tafereel van een ware Evangelische boetvaardigheid, dan zullen wij bemerken, dat deze Tollenaar vier dingen had, waarin eigenlijk de ware boete of de zaligmakende overtuiging van zonden gelegen is, zoals die door de Heilige Geest gewerkt wordt in de harten van de uitverkorenen. Hij had namelijk boetvaardige voeten, boetvaardige ogen, boetvaardige handen en een boetvaardige mond. Het zal, zo wij willen hopen, niet ondienstig kunnen zijn, deze dingen als een toegift op het verhandelde stuk nog een weinig nader te overwegen. Want er is voor ons zeer veel aan gelegen, als wij een grondig onderzoek begeren te doen naar onze eeuwige staat, dat wij de ware leer van de Evangelische boete, zoals die voorbereidend is tot een waar geloof en bekering, waarlijk wel verstaan, en daar niet los en haastig over heen lopen, als degenen die tevreden zijn, met slechts een licht gepleisterd Christendom voor zichzelf en voor anderen op te bouwen. Een wijs bouwmeester zal niet te haastig voortgaan met het fondament, maar hij zal allermeest bekommerd zijn, om dat wel en voorzichtig neer te leggen, opdat hij niet misschien genoodzaakt mocht zijn, tot zijn schade en verderf, zijn huis, dat hij met zoveel moeite en kosten opgetrokken heeft, onvoorziens te zien instorten, of datzelve anders met zijn eigen handen weer allemaal tot de grond toe te moeten afbreken. Gave de Heere, dat de mensen, die dit schrijven zullen lezen, zodanige waarschuwingen recht verstaan konden!"

Aan de hand van de Heidelbergse Catechismus, vragen 3 t/m 11, wordt de gelijkenis van de boetvaardige Tollenaar ons verklaard. Daarin komen de volgende zaken naar voren die door ons bevindelijk gekend moeten worden:

Van des zondaars schrik en vrees voor God
Van zijn scheiding van God
Van zijn onwaardigheid voor God
Van zijn ootmoedigheid
Van zijn schaamte en verlegenheid
Van zijn hartsverdorvenheid en onreinheid
Van de verdoeming van zichzelf
Van de ware droefheid over de zonde
Van het gearresteerd staan bij zijn eigen schuld
Van het verslagen zondaarsgebed
Hoe dat aan God geschiedt, met afzien van zichzelf en van alle schepselen
Van de rechte belijdenis van zonde voor de Heere
Van het gelovig toevlucht nemen tot de Goddelijke genade
Van de duurzaamheid van de ware boete
Hoe de boete de eerste voorafgaande bekeringsgenade is!

Er moet wel zorgvuldig in acht genomen worden, dat de bekering des mensen bestaat in twee stukken: in de afsterving van de oude, en in de opstanding van de nieuwe mens. Het gehele geheim van het Christendom ligt in de behoorlijke onderscheiding van die twee zaken. De Apostel, waar hij spreekt van zijn eigen bekering, drukt die beide ook nadrukkelijk uit, zeggende: "Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij," Gal. 2:19, 20. En dit getuigt hij ook zonder onderscheid van alle ware gelovigen: "Gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God," Kol. 3:3. Dit noemt de Zaligmaker zijn leven te verliezen en hetzelve te vinden, Matth. 16:25; Luc. 9:24. Wie ziet niet, dat deze twee geheel onderscheiden zaken zijn? De mens moet eerst sterven en dan leven. Hij moet eerst in de dood van zichzelf komen, eer hij kon komen in het leven van God of van Christus. Eerst moet hij zijn leven verliezen, eer hij hetzelve kan vinden. Dit zalige geheim verstaat de huichelaar niet.

Nochtans wil het niet anders zeggen, dan dat de zondige mens, die waarlijk bekeerd en wedergeboren wordt, een tweeŽrlei krachtdadige werking van de Geest Gods tot zaligheid in zijn ziel moet ondervinden en gewaar worden. Eerst, dat hij door de wet zodanig geestelijk verlicht en overtuigd moet worden in zijn hart, dat hij zijn eigen natuurleven geheel komt te verliezen, af te leggen en te verzaken, en alzo waarlijk aan zichzelf en aan zijn eigen wijsheid, kracht, gerechtigheid, werk, plicht, voornemens, begeerten en dergelijke, geheel komt te sterven, en niets meer tot zijn zaligheid te doen weet, zelfs zoveel niet, dan een enige zucht, begeerte of poging uit zich zelf; naardien hij nu levendig overtuigd wordt, dat zijn natuurlijke aard of geneigdheid zich enkel maar daarheen uitstrekt, om God en zijn naasten te haten, hetwelk hem dan noodzakelijk moet brengen in de waarachtige zelfverlorenheid voor de hoge en heilige God. Ten andere, dat hij zijn eigen leven alzo geestelijk door de wet geheel verloren hebbende, nu door middel van een zuiver en oprecht geloof, gewerkt van de HEILIGE GEEST, door het Evangelie in zijn hart, weer opnieuw moet opgewekt en levend gemaakt worden met Christus en in Christus uit loutere genade, zonder iets van zijn eigen toedoen, wat het ook mocht zijn, of hoe het ook genaamd of begrepen mocht worden.

Deze zijn als de twee kanalen, langs welke de zaligheid afvloeit in de harten van alle ware gelovigen. Al wie dan niet eerst op zodanige wijze het leven geheel verloren heeft in zichzelf door een geestelijke overtuiging uit de Wet, die heeft ook nooit het leven waarlijk gevonden in Christus door een geestelijk geloof uit het Evangelie. De Apostel legt daarom ook het een als een grond voor het andere, zeggende: indien wij nu met Christus gestorven zijn (door de kruisiging namelijk van de oude mens, waar hij zo even tevoren van gesproken heeft), zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, Rom. 6:8, zie ook Joh. 11:25.

Lees 'De boetvaardige tollenaar'.