Geen berouw zonder geloof

Hieronder treft u een gedeelte aan uit "De vernieling des doods door de Fontein des levens" van ds. W. Huntington, blz. 53 t/m 56 (uitgave Den Hertog B.V - Houten, 1996), waar ds. W. Huntington als volgt schrijft over berouw:

" Ik ben er ten volle van overtuigd dat er geen berouw is zonder geloof. Van de duivelen staat geschreven dat zij geloven en sidderen, omdat de toom en vloek van God in hen is. Ik twijfel niet of Judas had hetzelfde geloof toen de vloek en toom Gods in zijn hart kwamen. Hij had ook berouw, verschrikking, smart en droefheid over hetgeen hij gedaan had, het was toen een dag der krankheid en der pijnlijke smart (Jes. 17:11). Zijn berouw vond geen plaats in de barmhartigheid Gods, noch in de dood van Christus, en daarom was het wanhopige smart en wanhopig berouw; zonder hoop en zonder geneesmiddel. Berouw ontspringt niet uit de toepassing van de wet, wanneer de vloek Gods en de misdaden van de mens elkaar ontmoeten in het hof der consciŽntie, wat altijd gepaard gaat met een andere ontmoeting, namelijk van de rechtvaardige gramschap Gods, en de vleselijke vijandschap van de mens.

Waar deze blijkbaar onverzoenlijke vijandschap van binnen schijnt te werken, daar is plaats voor een wanhopige droefheid, en niet voor een droefheid naar God. De zondaar moge wensen, dat het kwaad dat hij gedaan heeft ongedaan gemaakt ware, wat een uiting van berouw is, maar tegelijkertijd heeft hij de zonde in zijn hart lief, en voelt hij zijn vijandschap werkzaam tegen God, terwijl hij, indien hij kon, gaarne Zijn hand zou ontvluchten.

Bovendien wordt berouw niet uitgeperst door gramschap en toorn. Berouw gaat niet gepaard met een vlieden van God, maar het is een bekering tot God; er is geen berouw zonder geloof, maar het gaat ermee samen. 'Bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus' (Hand. 20:21). Wij worden er niet toe gedreven maar geleid. Schrikkelijk majesteit is er het voorwerp niet van, maar goedertierenheid. De 'goedertierenheid Gods leidt u tot bekering' (Rom. 2:4).

De apostelen voegden de vergeving der zonden samen met de bekering die zij predikten, en die bekering en vergeving der zonden zouden in Zijn Naam gepredikt worden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem (Luk. 24:47). Bekering is een genade die te vinden is in de volheid van Christus, waar alle genade als een schat is opgelegd. Als Vredevorst en als de enige Zaligmaker van mensen schenkt Hij het aan al de uitverkoren onderdanen van Zijn koninkrijk. Het is een genade van Zijn koninkrijk en die wordt dikwijls geoefend door elk getrouw onderdaan, niet alleen in het begin, maar op elke overtreding daarna, zoals blijkt uit de volgende schriftuurplaats: 'Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik berouw hebbe over velen die tevoren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinheid en hoererij en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben' (2 Kor. 12:21).

Een wettische bekering gaat altijd gepaard met medelijden met zichzelf en vijandschap tegen God. Het werkt vrees voor de straf, maar geen waarachtige haat tegen de zonde zelf. Het is altijd gemengd met hoogmoed en eigengerechtigheid, maar niet met zelfverfoeiing en ware trek in geestelijk voedsel. Een evangelische bekering is een vrije genadegift uit Christus, Die verhoogd is om het te schenken. 'Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om IsraŽl te geven bekering en vergeving der zonden' (Hand. 5:31).

Het is de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid die de mensen tot bekering leidt (Rom. 2:4). Het is des mensen ellende en Gods barmhartigheid die elkaar ontmoeten in de ontwaakte zondaar. Het is de liefhebbende vader en de berouw hebbende zoon, die elkaar ontmoeten in Christus Jezus. God begenadigt ons in de Geliefde. Hier ontmoeten elkaar de zonde-zieke ziel en de grote Heelmeester, de veroordeelde misdadiger en de Heere onze Gerechtigheid, de schuldenaar die geen penning heeft om te betalen en de Goddelijke Borg, het verbroken hart en de band der liefde, zachte woorden en gebroken beenderen, de vuile ellendigen en de reinigende Fontein, de van honger stervende ziel en het Brood Gods, de overstelpende liefdekus en het huwelijksverbond. En dit heeft zulke vreemde uitwerkingen, dat zelfs de duivelen, indien zij ertoe verwaardigd werden, zich in zak en as zouden bekeren. Ware .bekering ontstaat uit deze blijde ontmoeting en levendige vereniging.

Zulke zielen worden overgebracht van de duisternis tot het Licht, en van de macht des satans tot God: 'Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekendgemaakt, heb ik op de heup geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb' (Jer. 31:19). Dit is niet ontsproten uit een geest ?er dienstbaarheid, maar uit de Geest der aanneming, dit was niet de taal van een dienstknecht maar van een zoon zoals uit de volgende woorden blijkt. 'Is niet EfraÔm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds dat Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstiglijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem.' Evangelisch berouw ontspringt uit een gelovig gezicht van een verzoend God en Vader in het aangezicht van Christus, en van ons aandeel in Zijn eeuwige liefde. 'Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as' (Job 42:5, 6). Berouw komt op uit een nederige onderwerping aan de wil van God, en de gehoorzaamheid des geloofs. 'Zoon ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet. En daarna berouw hebbende ging hij heen' (Matth. 21:28, 29).

Dit is beide de wil en het werk Gods, dat wij geloven in Hem Die Hij gezonden heeft. Berouw gaat gepaard met zelfvernedering, en een gevoel dat God met ons bevredigd is. 'Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben: opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE' (Ez.16:62,63).

Dit is dus weer een zoete stroom uit de fontein die springt tot in het eeuwige leven, gelijk geschreven staat: 'En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven'. Het wordt bekering ten leven genoemd, omdat het voortvloeit uit het feit dat God ons van harte aanneemt in Christus Jezus, en het is een genade die geoefend wordt onder een gevoel van een Zich doodlievende Jezus, en in de gunst Gods, in Wiens goedgunstigheid het leven is. 'Die Mij vindt', zegt Christus, 'vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere.'

Dit werk kruisigt de zondaar aan de wereld en de wereld aan hem. Het brengt al de droesem, het schuim en tin, en het vuil van de bodem van het hart in beweging en werkt het eruit; het maakt het vat der barmhartigheid zuiver en rein, gezond en goed van hart, en laat niet ťťn twijfel of vrees, een 'indien' of een 'maar', een wantrouwen of bezwaar over in het gemoed en de consciŽntie; het is een dodelijke wond voor wettische hoogmoed en eigengerechtigheid, de zorgvuldigheden der wereld en de verleiding des rijkdoms, die de distelen en doornen zijn die de satan in oorlog stelt tegen het werk van God en de wet des gemoeds: maar als God ons oordeel uitbrengt tot overwinning en het hart in bezit neemt, dan gaat Hij door deze distelen en doornen en verbrandt ze allemaal (Jes. 27:4).

Waar niets van dit berouw of deze bekering ten leven aanwezig is - welke veelbelovende uitzichten of gunstige tekenen er ook mogen zijn - daar zullen de lusten en verdorvenheden, de zorgvuldigheden en begeerlijkheden het woord verstikken, omdat het geen wortel, diepte van aarde of vochtigheid heeft; en zij zullen zeker verhard en ongevoelig worden onder alle bestraffing, en onder de krachtigste en geestelijkste bediening, die ooit in de wereld geschonken kan worden, zoals wij zien kunnen in Judas onder de bediening van Christus, in Ananias onder de prediking van Petrus, en in Demas onder de bearbeiding van Paulus."